Return to BahaiPrayers.net
Facebook
”Het bahá’í-huwelijk is de verbintenis en hartelijke genegenheid tussen twee partijen. Zij moeten echter uiterst zorgvuldig zijn en elkanders karakter leren kennen. Deze eeuwige verbintenis moet geborgd worden door een hecht verbond en moet erop gericht zijn harmonie, kameraadschap en eenheid aan te kweken en eeuwig leven te bereiken.” – Abdu’l-Baha
De huwelijksgelofte, het vers dat zowel door de bruid als de bruidegom gezegd moet worden in aanwezigheid van ten minste twee getuigen die voor de Geestelijke Raad aanvaardbaar zijn, luidt, zoals in De Kitáb-i-Aqdas (Het Heiligste Boek) bepaald is:
”Wij zullen waarlijk allen verblijven bij de wil van God.”
Hij is de Schenker, de Almilddadige!
Ere zij God, de Aloude, de Eeuwigdurende, de Onveranderlijke, de Eeuwige! Hij die in Zijn eigen wezen betuigt dat Hij waarlijk de Ene, de Enige, de Onbelemmerde, de Verhevene is. Wij getuigen dat er waarlijk geen God is dan Hij, erkennen Zijn één-zijn en belijden Zijn enig-zijn. Immer verblijft Hij op onbereikbare hoogten, op de hoogste toppen van Zijn verhevenheid, geheiligd van het noemen van alles buiten Hemzelf, onafhankelijk van de beschrijving van alles buiten Hem.
Toen Hij de mensen genade en milddadigheid wenste te betonen en de wereld wenste te ordenen, openbaarde Hij verordeningen en schiep Hij wetten, waaronder de huwelijkswet, tot vesting voor welzijn en heil, en legde ons deze op in Zijn Heiligste Boek dat werd neergezonden uit de hemel van heiligheid. Hij, groot is Zijn heerlijkheid, zegt: “Treed in het huwelijk, o mensen, opdat gij iemand moogt voortbrengen die melding van Mij zal maken onder Mijn dienaren. Dit is Mijn gebod aan u; houdt u er stevig aan vast tot steun voor uzelf.”
- Bahá'u'lláh