The Universal House of Justice
Ridván 2026
To the Bahá’ís of the World
Dearly loved Friends,
1. Nu begint de tweede, langere fase van het Negenjarenplan. Wij zien de wereldwijde bahá’í-gemeenschap in eensgezindheid vooruitgaan, met een gerechtvaardigd vertrouwen in de koers die zij heeft uitgezet. Haar helderheid en overtuiging zijn onmiskenbaar. Niet ontmoedigd door de aanzwellende beroering in de wereld blijft zij gefocust op haar heilige missie. Het verheugt ons in het bijzonder te zien hoe nieuw bevestigde gelovigen geestdriftig hun plaats innemen in het veld van dienstbaarheid en actie, zij aan zij met degenen die lang geleden zijn bevestigd in het Geloof. Derde mijlpaal-clusters tonen aan vruchtbare grond te zijn voor het oogsten en verspreiden van rijke ervaringen. En wij zijn verheugd te zien dat de vrienden overal reflecteren over de boodschap die wij in december aan de hier bijeengekomen Raadgevers hebben gericht, en dat zij uit de inhoud daarvan putten voor hun plannen en acties.
2. Deze doelbewuste geest is in het bijzonder zichtbaar in de institutionele bijeenkomsten die overal ter wereld worden gehouden. Keer op keer wordt in de verslagen van deze bijeenkomsten hetzelfde fenomeen gemeld: een diepgaand, inzichtelijk gesprek dat gebaseerd is op directe ervaring met het opbouwen van levendige gemeenschappen in plaats van op aannames of theorie. Dit gesprek wordt bezield door het voortdurende leerproces op elke plek. Het is doordrongen van een dieper besef van de betekenis van de inspanningen van de bahá’í-gemeenschap en de implicaties daarvan voor een geteisterde wereld die wanhopig behoefte heeft aan richting. Een gevoel van verantwoordelijkheid en vastberadenheid heerst overal en er is een scherp besef van de omvang van wat er moet gebeuren. Vaak biedt dit gesprek een aanvullend, complementair perspectief waarin de inspanningen van gemeenschappen en individuen niet louter worden gezien als het uitvoeren van programma’s en projecten, maar als het cultiveren van een levenswijze die is gebaseerd op de goddelijke leringen, een vormgeving van acties, interacties en aspiraties.
3. Ditzelfde oprechte gesprek, dat blijk geeft van een toewijding aan leren, wordt door de gehele gemeenschap gevoerd, van het nationale en regionale niveau tot aan het niveau van dorpen en wijken, en in uiteenlopende settings, waaronder bijeenkomsten die door de instellingen worden georganiseerd, maar ook andere gelegenheden die spontaan ontstaan. Het zal ongetwijfeld ook een belangrijk onderdeel zijn van de Nationale Conventies. Wij zien ernaar uit te vernemen hoe patronen van individuele en collectieve actie zich versterken en uitbreiden naarmate dit gesprek zich ontvouwt. Zoals altijd is het een gesprek dat moet worden uitgebreid naar steeds bredere kringen van vrienden, buren en andere gelijkgestemde zielen die zich kunnen vereenzelvigen met inspanningen om geestelijke en materiële vooruitgang te bewerkstelligen, gegrondvest op het een-zijn van de mensheid. De gelegenheden die worden gecreëerd om dit gesprek te verbreden – of die nu spontaan ontstaan of lang van tevoren zijn gepland – zijn een teken van een diepgaandere betrokkenheid bij de samenleving, en wij hopen dat ze steeds meer gemeengoed zullen worden.
4. Velen in de bredere samenleving die in aanraking komen met de grassroots-activiteiten van bahá’ís, worden getroffen door de onderscheidende kenmerken ervan: ze komen voort uit een oprechte zorg voor het welzijn van iedereen, zijn gericht op eenheid en dienstbaarheid, en volgen duidelijke principes zonder te pretenderen een onmiddellijk antwoord te hebben op elk probleem. In een geest van gezamenlijke inspanning streven bahá’ís ernaar om met anderen samen te werken en samen te leren; en in de relaties die zij aangaan met degenen die gezaghebbende en verantwoordelijke posities in de samenleving bekleden, zijn zij oprecht en hebben zij een heldere blik. Zij streven naar maatschappelijke verandering zonder politieke ambitie of eigenbelang, en zij erkennen dat, naarmate de bekendheid van het Geloof toeneemt, het belangrijk wordt om ervoor te zorgen dat het ware karakter en de doelstellingen ervan goed worden begrepen. In veel plaatsen betekent de groeiende diepgang van de interacties van de gemeenschap met de samenleving onvermijdelijk dat er nieuwe situaties ontstaan om mee te leren omgaan en nieuwe vragen om te beantwoorden, en dit noopt de gemeenschap haar eigen vermogens verder te ontwikkelen.
5. Zoals wij hebben uiteengezet in onze boodschap aan de recente Conferentie van Raadgevers, is een belangrijke ontwikkeling van de afgelopen vier jaar de opkomst van de gemeenschap als een steeds zichtbaardere voorvechter van het Plan, die zichzelf organiseert om in specifieke behoeften te voorzien en bepaalde werkterreinen te bevorderen, om wederzijdse steun te bieden via samenwerkingsverbanden, en om steeds effectiever te leren handelen binnen een zich ontwikkelend actiekader. Een treffend voorbeeld hiervan zijn groepen jongeren die in een plaats samenwerken en hun leeftijdsgenoten aanmoedigen deel te nemen. Uiteraard profiteren hun inspanningen enorm van de liefdevolle bemoediging en begeleiding van de instellingen, maar de jongeren hebben ook laten zien dat ze in staat zijn initiatief te nemen en vruchtbare vormen van dienstbaarheid te vinden. Maar al te vaak vinden hun inspanningen plaats tegen een achtergrond van conflict en wanorde, economische ongelijkheid en diepe sociale verdeeldheid. Wij erkennen de uitdagingen waarmee de jongeren in dergelijke omstandigheden worden geconfronteerd, en wij prijzen hen ervoor dat zij de neiging tot kritiek en veroordeling weerstaan en in plaats daarvan constructieve manieren vinden om deze zich opdringende obstakels te omzeilen en ernaar te streven deze uiteindelijk te overwinnen.
6. Geliefde vrienden, hoe turbulent de tijden ook zijn, wij dringen er bij u op aan niet bezorgd of ontmoedigd te zijn. ‘Abdu’l-Bahá raadt ons allen aan te vertrouwen op Gods milddadigheden, en zodoende “altijd hoopvol” te zijn, “standvastig” te zijn in onze hoop, en “de bron van hoop” te zijn “voor de wanhopige ziel”. Wanneer de horizon van de wereld verduistert, wordt hoop een schaars en kostbaar goed – maar wel een waarmee de gemeenschap van de Grootste Naam rijkelijk gezegend is vanwege haar overtuiging over de toekomst van de mensheid en vanwege wat zij uit eigen ervaring heeft geleerd. Talloze mensen verlangen naar de hoop die u in hun harten kunt brengen.
7. Als schitterend voorbeeld van een gemeenschap die al lange tijd de vlam van hoop in stand houdt, kijken wij naar de onrechtvaardig behandelde, maar altijd geduldige, standvastige en veerkrachtige volgelingen van Bahá’u’lláh in de Bakermat van Zijn geloof. Zie hoe gedisciplineerd zij zijn gebleven, hoe trouw aan hun principes gedurende decennia van niet-aflatende onderdrukking, en hoe vastbesloten zij zijn om te leren van de vooruitgang die hun medegelovigen in andere landen hebben geboekt, hoe vastberaden om hun medeburgers in hun eigen land te dienen en te troosten. Voor zo velen van hun landgenoten zijn zij, en blijven zij, een baken van hoop, een bron van mededogen en inzicht, en vertrouwde metgezellen op het pad van dienstbaarheid. De afgelopen weken en maanden zijn deze vrienden, die ons zo dierbaar zijn, voortdurend in onze gedachten en het herhaalde onderwerp van onze gebeden – en ongetwijfeld ook van de uwe – terwijl wij de Immerliefhebbende Heer smeken hen in de omarming van Zijn tedere zorg te houden.
8. Uw eigen inspanningen om de Zaak van God te bevorderen staan niet minder centraal in de smeekbeden die wij aan de Heilige Drempel opdragen, vooral nu, bij het begin van de nieuwe fase in het Negenjarenplan. Telkens wanneer wij ons naar de Heilige Graftomben begeven, smeken wij om goddelijke hulp en bijstand voor uw inspanningen, en vragen wij om standvastigheid en kracht voor u in uw inspanningen. Moge u voortvarend handelen en leergierig zijn, en mogen alle zegeningen van het hemelse koninkrijk u ten deel vallen.
- The Universal House of Justice